Staking in Amsterdam

 Staking in Amsterdam

amst_wap

Op 25 februari 1941 was Amsterdam in de greep van een algemene werkstaking uit protest tegen de jodenvervolgingen. Een dag later breidde de staking zich uit tot de Zaanstreek, Kennemerland (Haarlem en Velsen), Hilversum, Utrecht en Weesp. In de hoofdstad kwam het openbaar vervoer tot stilstand en werd ook bij nagenoeg alle andere gemeentelijke diensten het werk neergelegd. Er werd gestaakt bij de scheepsbouw en metaalbedrijven in Noord, bij Hollandia-Kattenburg, en ook bij grootwinkelbedrijven als de Bijenkorf. In de hele stad werden winkels en kantoren gesloten. Vele scholieren verlieten hun klaslokalen. Duizenden mensen bewogen zich die dag door het centrum van de stad. Het opgekropte gemoed zocht een weg zich te uiten tegen de Duitse bezetters, die op 10 mei 1940 ons land hadden overvallen en steeds openlijker hun regime wilden opdringen.

In de periode voorafgaande aan de Februaridagen van 1941 was de Duitse pressie op het gehele politieke en economische leven steeds brutaler geworden. Vanaf eind 1940 werd het persoons-bewijs verplicht gesteld. In juni 1940 begonnen de Duitse bezetters met de eerste van hun vele anti-joodse maatregelen door alle joden uit de gemeentelijke luchtbeschermingsdiensten te verwijderen. Spoedig gevolgd door de maatregel, dat er geen joden meer in overheidsdienst mochten worden aangenomen. In oktober 1940 volgde de “Ariërverklaring”, waarin nog nadrukkelijker een scheiding werd gemaakt tussen joden en niet-joden. Op 22 november 1941 ging Seyss-Inquart, de door Hitler benoemde Rijkscommissaris, nog een stap verder door te verordonneren, dat “alle joden, die een openbaar ambt bekleden of in openbare dienst werkzaam zijn” ontheven werden van hun functie. In Delft en Leiden kwam het tot protestacties van duizenden studenten. De Duitse ‘Sicherheitsdienst’ bezette de Leidse universiteit en de Hogeschool van Delft. In de aanloop tot de Februaristaking was er echter nog veel meer gebeurd. Amsterdamse werklozen voerden acties op projecten in Noord-Holland, in het Gooi en nabij Amersfoort, waar zij tewerk waren gesteld. Zij keerden zich tegen verlenging van de werktijd. Werkverschaffingsarbeiders demonstreerden in de hoofdstad en eisten verhoging van hun uitkeringen. Toen de Duitse bezettende macht in Amsterdam-Noord metaalbewerkers op de scheepswerven wilde dwingen in Duitsland te werken, kwam het ook daar tot protesten.

Eind 1940 en begin 1941 tekende zich een verscherpt anti-semitisme af. De door Mussert geleide NSB (de in Nederland optredende pro-Duitse fascismebeweging) en WA (‘Weer Afdeling’, geüniformeerde troepen) wensten zich nadrukkelijker te manifesteren en gingen over tot het organiseren van provocaties in buurten waar veel joodse gezinnen woonden. Eigenaars van hotels en cafés werden gedwongen plakkaten op te hangen met de tekst ‘Joden niet gewenscht’. Op het Rembrandtsplein kwam het tot felle gevechten in het Heck-restaurant. De anti-joodse maatregelen kregen een steeds grimmiger karakter. Seyss-Inquart bepaalde, dat alle personen van ‘geheel of gedeeltelijk joodsen bloede’ zich moesten melden en de daaraan verbonden leges moesten betalen.

Deze verplichte registratie zou bij de latere deportaties funest blijken. Steeds vaker trokken groepen WA-ers joodse buurten binnen en lokten vechtpartijen uit. Er werden marktkramen vernield, ruiten van winkels ingegooid en joden mishandeld. Op zondag 9 februari 1941 kwam het wederom op het Rembrandtsplein, niet ver van de joodse wijk, tot hevige gevechten. Joodse jongens, onder wie vele sporters van de sportscholen als Olympia en Maccabi, verzetten zich en raakten slaags met WA-ers. In de twee daarop volgende dagen hielden de verdedingsgroepen zich paraat; op 11 februari kwam het op het Waterlooplein tot een ware veldslag met de WA. De WA-er Koot raakte zwaar gewond en overleed enkele dagen later. Op 12 februari, in alle vroegte, sloten de Duitsers de oude joodse wijk af. Er werden prikkel-draadversperringen aangebracht, bruggen opgehaald, wachtposten van Nederlandse en Duitse politie geplaatst. Enkele dagen later werd het betreden van de jodenbuurt voor ‘niet-Ariërs’ verboden.

Op maandag 17 februari laaiden de emoties opnieuw hoog op bij de Nederlandse Scheepbouw Maatschappij in Amsterdam-Noord, waar door loting een aantal ongehuwde arbeiders voor tewerkstelling in Duitsland werden aangewezen. Alle arbeiders verlieten de werf en ook op andere werven legden de arbeiders het werk neer. Op woensdag 19 februari bestormden manschappen van de Grüne Polizei de ijssalon Koco in de Van Woustraat, gedreven door de Duitse joodse vluchtelingen Cahn en Kohn. Toen zij al schietend binnendrongen spoot hen ammoniak uit een fles in het gezicht. Cahn en Kohn werden gearresteerd. In het weekend van 22 en 23 februari vonden wraakacties in de jodenbuurt plaats. SD-ers en WA-ers trapten de deuren van huizen in. Er werden bloedhonden op joodse mensen losgelaten. Jonge joodse mannen werden naar het Jonas Daniël Meijerplein geranseld en 427 van hen, in de leeftijd van 18 tot 35 jaar, werden als gijzelaars meegenomen.

razzia_j_d_370

Zij werden naar Buchenwald en Mauthausen gedeporteerd. Zij stierven binnen een jaar aan mishandeling en ontberingen. De mensenjacht in de jodenbuurt wekte hevige verontwaardiging op en werd de directe aanleiding tot de Februaristaking. In de avonduren van 24 februari vond op de Noordermarkt een korte openluchtbijeenkomst plaats, waaraan door talrijke gemeentearbeiders werd deelgenomen. Zij werden toegesproken door onder meer de gemeentearbeider Dirk van Nimwegen. Het stakingsparool werd bekendgemaakt. Op de plaquette aan de buitenmuur van de kerk op de Noordermarkt wordt herinnerd aan deze bijeenkomst. Nog dezelfde nacht werd op vele adressen in de stad het door de illegale CPN vervaardigde manifest ‘Staakt, staakt, staakt !!!’ gestencild. In de vroege ochtenduren werd dit manifest aan de poort van talrijke bedrijven verspreid.

staakttypmach_72dpi

De gemeentetram ging die ochtend in staking, andere gemeentediensten volgden. De tram verdween uit het stadsbeeld en al spoedig werd het voor zeer vele Amsterdammers duidelijk dat er gestaakt werd. De lont was bij het kruitvat gehouden en uit het ene na het andere bedrijf kwamen mannen en vrouwen de straat op. De stakingsbeweging kreeg een geheel eigen dimensie, er groeide een sfeer van spontane saamhorigheid onder de bevolking, van verblijdende opluchting over het feit, dat zij afschuw en protest zo massaal en eensgezind liet blijken. Heel Amsterdam was in de greep van de Februaristaking. De Duitsers waren verbijsterd. Het was nog nooit voorgekomen, dat tegen antisemitisme en jodenvervolgingen werd gestaakt. De bezettingsautoriteiten namen hun toevlucht tot een reeks van maatregelen. Zij konden echter niet verhinderen, dat de staking naar de Zaanstreek, Kennemerland, Utrecht en andere plaatsen oversloeg. De Februaristaking 1941, zoals hierboven kort geschetst, is de geschiedenis ingegaan als een van de grootste verzetsdaden in de strijd tegen het Hitler-fascisme. Zij wordt elk jaar op 25 februari bij het monument de Dokwerker op het Jonas Daniël Meijerplein herdacht.