Toespraak Liesbeth van der Horst 2018

Toespraak Liesbeth van der Horst (directeur Verzetsmuseum Amsterdam)

 

Vandaag 77 jaar geleden was er opstand in de stad, omdat hier – op deze plek – een paar dagen eerder ruim 400 jonge Joodse mannen bruut bij elkaar waren gedreven en afgevoerd.  Het waren koude dagen en de Februaristakers trokken in opgewonden groepen door de stad.  Ze wilden hun verontwaardiging uiten, en hoopten dat de Duitse bezetters zich iets van hun  felle protest zouden aantrekken. Dat is achteraf gezien naïef, maar toen was het geen vreemde gedachte.  De bezetters hadden de Nederlanders tot dat moment redelijk voorkomend behandeld, èn in het najaar van 1940 nog toegegeven aan de eisen van stakende arbeiders in de werkverschaffing.

Aan die naïviteit kwam in één klap een eind.  Vanuit overvalwagens werd op de tweede stakingsdag  op menigtes geschoten, waarbij negen doden vielen en 24 zwaargewonden. Op 13 maart werden drie Februaristakers gefusilleerd, samen met 15 leden van de Geuzen-verzetsgroep. Jan Campert schreef over hen zijn beroemde gedicht Het lied der achttien dooden.     

Liesbeth van der Horst (directeur Verzetsmuseum)
Liesbeth van der Horst

Maar, en dat wordt in de boeken over de staking onvoldoende uitgediept, daar bleef het niet bij. De bezetters gingen op jacht naar de Amsterdamse communisten die de staking op gang hadden gebracht.  Na de eerste golf arrestaties werden 22 communisten tot lange tuchthuisstraffen veroordeeld. En de arrestaties gingen door. Enkele honderden werden zonder proces gevangen gezet “verhaftet bis auf weiteres”, zoals Henk van Moock, die ik goed gekend heb en die vier jaar vele concentratiekampen, waaronder Auschwitz en Mauthausen, overleefde. Vele anderen hebben het niet overleefd.

Op 19 november 1942 – meer dan anderhalf jaar na de staking – werden dertien bij de Februaristaking betrokken Amsterdamse communisten na een geheim proces in Soesterberg gefusilleerd. Onder hen de stratenmaker Willem Kraan, één van de initiatiefnemers tot de staking, van wie vorig jaar een afscheidsbrief opdook. En ook de tramconducteur Joop IJisberg. Hij was in november 1941 gearresteerd, en zat een jaar gevangen. Tijdens zijn gevangenschap schreef hij op kleine papiertjes honderden briefjes die, meestal via het wasgoed, naar zijn  vrouw en vier kinderen werden gesmokkeld. Uit de briefjes blijkt dat hij er alle vertrouwen in had dat hij weer thuis zou komen. De  verbijstering was groot toen hij ter dood werd veroordeeld. Wat had hij nou helemaal gedaan? Er werden gratieverzoeken ingediend.  Zijn zoon schreef aan Joop: “Dat u gratie krijgt en dan binnen afzienbaren tijd thuiskomt, is iets dat voor ons vaststaat. Wij kunnen niet geloven, dat een dergelijk vonnis ook werkelijk ten uitvoer zal worden gebracht.”. Ook 650 medewerkers van de gemeentetram tekenden een gratieverzoek. Maar toch: eind november ontving  Joops vrouw Toos een brief dat het vonnis was voltrokken. Ze viel flauw. Een paar dagen later kreeg ze de afscheidsbrief die Joop voor zijn executie had mogen schrijven: “Denk aan de toekomst van onze kinderen, daar blijf je nu alleen voor staan, zorg goed voor hen. Je weet Lieve hoeveel ik van jou en de kinderen hou en ik zal tot de laatste minuten aan jullie blijven denken, en moedig de dood onder ogen zien, dat kun je de kinderen altijd blijven zeggen.” En hij schreef ook: “laten wij hopen dat het niet voor niets is geweest.

Het is één dramatisch voorbeeld uit velen – goed gedocumenteerd omdat de gehele correspondentie bewaard is gebleven. Voor mij onderstreept het het belang van de rechtsstaat.  Een gewone huisvader als Joop IJisberg, die alleen maar had gestaakt uit protest tegen die eerste razzia op Joden, hier op dit plein, en die daarna nog wat illegale kranten had verspreid,  was overgeleverd aan rechteloosheid en terreur, en stierf voor het vuurpeloton.  

Het is belangrijk dat we de Februaristaking blijven herdenken, want al heeft die de Jodenvervolging niet voorkomen, het was een dappere uiting van verzet en solidariteit.  Het is ook belangrijk dat we blijven vertellen wat doodgewone mensen, zoals Joop IJisberg – mensen zoals wijzelf – hebben meegemaakt. Want juist dan dringt door hóe misdadig het naziregime was, en ook… hoe blij wij moeten zijn met onze onafhankelijke rechtspraak en  overheid die gebonden is aan regels, die gekozen vertegenwoordigers opstellen.  Regels die soms leiden tot een hinderlijke bureaucratie, maar die ons beschermen tegen willekeur en machtsmisbruik – en niets is zo bedreigend als dat.  

Joop IJisberg schreef vlak voor zijn terechtstelling “Laten we hopen dat het niet voor niets is geweest”. Hij leek dat te betwijfelen, en ook achteraf vind ik het moeilijk er iets over te zeggen. Maar ervaringen zoals die van Joop IJisberg en zijn gezin zijn voor ons in elk geval een waarschuwing tegen een racistische, totalitaire staat, en een aanmoediging om de rechtstaat te koesteren en te beschermen.