Gedichten 2014

Gedichten 2014

voorgedragen door Funda Müjde

ONDERWEG

Of je nu een leven inloopt of eruit,

Je schaduw zit je op de hielen

En een woud van borden

Wijst, wijst, wijst.

Je loopt alleen, altijd alleen.

Al weet je duizend mensen

Om je heen, en loopt er soms

Iemand een eindje mee.

Wandel op de middenweg,

Niet tussen einde en begin;

Je bent je eigen wandeling.

Je loopt een leven uit, een leven in.

Ingmar Heytze

HET KLEINE DODE MEISJE

Ik ben het die aan de deuren klopt
– één voor één –
al kan niemand mij zien
want doden zijn onzichtbaar.

Tien jaar is het al geleden
dat ik stierf in Hiroshima
ik ben en meisje van zeven jaar
dode kinderen groeien niet.

Het vuur greep eerst mijn haar.
mijn ogen zijn verbrand en verschroeid
ik ben een handvol as geworden
verwaaid in de wind.

Voor mijzelf vraag ik jullie niets
een kind verbrand als papier
kan zelfs niet meer snoepen.

Ik klop aan jullie deuren
oom, tante, meneer, mevrouw,
om een handtekening:
laat de moord op kinderen stoppen
geeft ze de kans om te snoepen.

Nazim Hikmet, 1956

VREDE IS ETEN MET MUZIEK

Vredig eten is goed eten
Want lekker eten doet men alleen in rust en vrede
Voor een goede spijsvertering is het een vereiste
Dat men elk hapje minstens vijftienmaal kauwt
Daarom eet men met muziek ook beter
Want onder vrolijke tonen bewegen de kaken vanzelf
Harmonieus en met de kaken ook de slokdarm
En later zelfs de overige dertig meter
Lange darmen in de buik

Vrede is goed eten met goede muziek
Met marsmuziek kan men beter lopen dan eten
Als men dan ook maar vredig loopt
En niet meemarcheert met een troep soldaten
Tegen andere soldaten
Dan is marsmuziek net zo bedorven
Als besmet voedsel
Maar bij dansmuziek is het zeker goed eten
Want dansen is geen vechten
Wie danst houdt rekening met andere dansers
Zoals men onder het eten niet alle
Lekkere hapjes alleen verorbert maar die deelt
Met de overigen de disgenoten

Lucebert (1924-1994)


VREDE

Komt een duif van honderd pond,
een olijfboom in zijn klauwen,
bij mijn oren met mijn mond
vol van koren zoete vrouwen,
vol van kirrende verhalen
hoe de oorlog is verdwenen
en herhaalt ze honderd malen:
alle malen zal ik wenen.

Sinds ik mij zo onverwacht
in een taxi heb gestort
dat ik in de nacht een gat
naliet dat steeds groter wordt,
sinds mijn zacht betraande schat,
droogte blozend van ellende
staan bleef, zo bleef stilstaan dat
keisteen ketste in haar lenden,
ben ik te dicht en droog van vel
om uit te zweten in gebeden,
kreukels knijpend evenwel,
en ‘vrede’ knarsend, ‘vrede, vrede’,

Liefde is een stinkend wonder
van onthoofde wulpsigheden
als ik voort moet leven zonder
vrede, godverdomme, vrede ;
want het scheurende geluid
waar ik van mijn lief mee scheidde
schrikt mij nu het bed nog uit
waar wij soms in dromen beiden
dat de oorlog van weleer
wederkeert op vilten voeten,
dat we, eigenlijk al niet meer
kunnend alles, toch weer moeten
liggen, rennen en daarnaast
gillen in elkanders oren,
zo wanhopig dat wij haast
dromen ons te kunnen horen.

Mag ik niet vloeken als het vuur
van een stad, sinds lang herbouwd,
voortrolt uit een kamermuur,
rondlaait en mij wakker houdt ?
Doch het versgebraden kind,
vuurwerk wordend, is het niet
wat ik vreselijk, vreselijk vind:
het is de eeuw dat niets geschiedt,
nadat eensklaps, midden door een huis,
een toren is komen te staan van vuil,
lang vergeten keldermodder,
snel onbruikbaar wordend huisraad,
bloedrode vlammen en vlammend
rood bloed, de lucht eromheen behangen
met levende delen van dode doch
aardige mensen, de eeuwlange stilte voor-
dat het verbaasde kind in deze zuil
gewurgd wordt en reeds de armpjes
opheft.

Kom vanavond met verhalen
hoe de oorlog is verdwenen,
en herhaal ze honderd malen:
alle malen zal ik wenen.

Leo Vroman (1915-2014)